Home
Home


Home
Home
Home

Protestantse gemeente
Hoek van Holland


Geloven doe je Samen

Welkom!


Welkom op de website van de Protestantse Gemeente te Hoek van Holland. Actuele informatie kunt u vinden onder items: Zondagsbrief, Samenloop (kerkblad), Kerkdiensten enz..    Wilt u weten hoe het pastoraat is verdeeld, kijk dan

bij Organisatie.   Kunt u uw benodigde informatie niet vinden neem dan contact op met de geleding

die u antwoord kan geven via de link Contact.    Graag tot ziens in onze gemeente, want Geloven doe je Samen.

Actueel

kerkdiensten


zondagsbrief


liturgie


agenda


samenloop

Over ons
contact


visie


organisatie

Geven

Anbi

Geloof

informatie

Overige info

KERKZOEKER


Nieuws


Archief


foto/film

Dorpskerk

Komende diensten


zondag 25 feb    10.00 uur      ds BWJ de Ruyter uit Maasland  2e zondag 40dagentijd
vrijdag  02 maa  19.30 uur      Wereldgebedsdag
zondag 04 maa  10.00 uur      Prop. D. de Roest uit Leiden       3e zondag 40dagentijd
zondag 11 maa  10.00 uur      ds J W Leurgans, Bergambacht  4e zondag 40dagentijd

Marcus 9

1Verder zei hij ook nog: ‘Ik verzeker jullie: sommigen die hier aanwezig zijn zullen niet sterven voordat ze de komst van het ​koninkrijk van God​ in al zijn kracht hebben meegemaakt.’


Een stem uit de hemel

2Zes dagen later nam ​Jezus​ ​Petrus, ​Jakobus​ en ​Johannes​ met zich mee een hoge berg op, waar ze helemaal alleen waren. Voor hun ogen veranderde hij van gedaante, 3zijn ​kleren​ gingen helder wit glanzen, zo wit als geen enkele wolwasser op aarde voor elkaar zou kunnen krijgen. 4Toen verscheen ​Elia​ aan hen, samen met ​Mozes, en ze spraken met ​Jezus. 5Petrus​ nam het woord en zei tegen ​Jezus: ‘Rabbi, het is goed dat wij hier zijn; laten we drie ​tenten​ opslaan, een voor u, een voor ​Mozes​ en een voor ​Elia.’ 6Hij wist niet goed wat hij moest zeggen, want ze waren door schrik overweldigd. 7Toen viel de schaduw van een wolk over hen, en uit de wolk klonk een stem: ‘Dit is mijn geliefde Zoon, luister naar hem!’ 8Ze keken om zich heen en zagen opeens niemand meer, behalve ​Jezus, die nog bij hen stond.


9Toen ze de berg afdaalden, zei hij tegen hen dat ze aan niemand mochten vertellen wat ze hadden gezien voordat de ​Mensenzoon​ uit de dood zou zijn ​opgestaan. 10Ze namen zijn woorden ter harte, maar vroegen zich onder elkaar wel af wat hij bedoelde met deze opstanding uit de dood. 11Ze vroegen hem: ‘Waarom zeggen de ​schriftgeleerden​ dat ​Elia​ eerst moet komen?’ 12Hij antwoordde: ‘Elia​ komt inderdaad eerst en herstelt alles, maar over de ​Mensenzoon​ staat toch geschreven dat hij veel moet lijden en met verachting behandeld zal worden? 13Ik zeg jullie: ​Elia​ is al gekomen, en ze hebben met hem gedaan wat ze wilden, zoals over hem geschreven staat.’


Geloof en ongeloof

14Toen ze terugkwamen bij de andere ​leerlingen, zagen ze een grote menigte om hen heen staan. Er waren ook ​schriftgeleerden​ bij, die met hen aan het discussiëren waren. 15De mensen waren verbaasd toen ze hem zagen, en liepen meteen naar hem toe om hem te begroeten. 16Hij vroeg hun: ‘Waarover zijn jullie met hen aan het discussiëren?’ 17Iemand uit de menigte antwoordde: ‘Meester, ik heb mijn zoon naar u gebracht omdat hij door een geest ​bezeten​ is en niet kan praten; 18steeds wanneer de geest hem overweldigt, gooit die hem op de grond, en dan komt het schuim hem op de mond te staan, hij knarst met zijn tanden en wordt helemaal stijf. Ik zei tegen uw ​leerlingen​ dat ze hem moesten uitdrijven, maar dat konden ze niet.’ 19Hij zei tegen hen: ‘Wat zijn jullie toch een ongelovig volk, hoe lang moet ik nog bij jullie blijven? Hoe lang moet ik jullie verdragen? Breng hem bij me.’ 20Ze brachten de jongen bij hem. Toen de geest hem zag, deed hij de jongen meteen stuiptrekken, en met het schuim op de lippen viel hij op de grond en rolde heen en weer. 21Jezus​ vroeg aan zijn vader: ‘Hoe lang heeft hij hier al last van?’ Hij antwoordde: ‘Al vanaf zijn vroegste jeugd, 22en hij heeft hem zelfs vaak in het vuur gegooid en in het water met de bedoeling hem te doden; maar als u iets kunt doen, heb dan medelijden met ons en help ons.’ 23Toen zei ​Jezus​ tegen hem: ‘Of ik iets kan doen? Alles is mogelijk voor wie gelooft.’ 24Meteen riep de vader van het ​kind​ uit: ‘Ik geloof! Kom mijn ongeloof te hulp.’ 25Toen ​Jezus​ zag dat er een grote groep mensen toestroomde, sprak hij de ​onreine geest​ op strenge toon toe en zei: ‘Geest die doof en stom maakt, ik gebied je: ga uit hem weg en keer niet meer in hem terug.’ 26Onder geschreeuw en met hevige stuiptrekkingen ging hij uit hem weg; de jongen bleef voor dood achter, zodat de mensen zeiden dat hij was gestorven. 27Maar ​Jezus​ pakte hem bij de hand om hem overeind te helpen en hij stond op.


28Hij ging een huis in, en toen ze weer alleen waren, vroegen zijn ​leerlingen​ hem: ‘Waarom konden wij die geest niet uitdrijven?’ 29Hij antwoordde: ‘Dit soort kan alleen door ​gebed​ worden uitgedreven.’


Onderricht aan de leerlingen

30Ze vertrokken uit die streek en reisden door Galilea, maar hij wilde niet dat iemand dat te weten kwam, 31want hij was bezig zijn ​leerlingen​ onderricht te geven. Hij zei tegen hen: ‘De ​Mensenzoon​ wordt uitgeleverd aan de mensen. Die zullen hem doden, maar na drie dagen zal hij uit de dood opstaan.’ 32Ze begrepen deze uitspraak niet, maar durfden hem geen vragen te stellen.


33Ze kwamen in ​Kafarnaüm. Toen ze in huis waren, vroeg hij hun: ‘Waarover waren jullie onderweg aan het redetwisten?’ 34Ze zwegen, want ze hadden onderweg met elkaar getwist over de vraag wie van hen de belangrijkste was. 35Hij ging zitten en riep de twaalf bij zich. Hij zei tegen hen: ‘Wie de belangrijkste wil zijn, moet de minste van allemaal willen zijn en ieders dienaar.’ 36Hij pakte een ​kind​ op en zette het in hun midden neer; hij sloeg zijn arm eromheen en zei tegen hen: 37‘Wie in mijn naam één zo’n ​kind​ bij zich opneemt, neemt mij op; en wie mij opneemt, neemt niet mij op, maar hem die mij gezonden heeft.’


38Johannes zei tegen hem: ‘Meester, we hebben iemand gezien die in uw naam demonen uitdreef en we hebben geprobeerd hem dat te beletten omdat hij zich niet bij ons wilde aansluiten.’ 39Jezus​ zei: ‘Belet het hem niet. Want iemand die een wonder verricht in mijn naam kan onmogelijk het volgende moment kwaad van mij spreken. 40Wie niet tegen ons is, is voor ons. 41Ik verzeker je: wie jullie een ​beker​ water te drinken geeft omdat jullie bij ​Christus​ horen, die zal zeker beloond worden.


42Wie een van de geringen die in mij geloven van de goede weg afbrengt, zou beter af zijn als hij met een ​molensteen​ om zijn nek in zee gegooid werd. 43Als je hand je op de verkeerde weg brengt, hak hem dan af: je kunt beter verminkt het leven binnengaan dan in het bezit van twee handen naar de ​Gehenna​ te moeten gaan, naar het onblusbare vuur. 45Als je voet je op de verkeerde weg brengt, hak hem dan af: je kunt beter kreupel het leven binnengaan dan in het bezit van twee voeten in de ​Gehenna​ geworpen worden. 47En als je oog je op de verkeerde weg brengt, ruk het dan uit: je kunt beter met één oog het ​koninkrijk van God​ binnengaan dan in het bezit van twee ogen in de ​Gehenna​ geworpen worden, 48waar de wormen blijven knagen en het vuur niet dooft.


49Iedereen moet met vuur gezouten worden. 50Zout is goed! Maar als het zout zijn kracht verliest, hoe zullen jullie het zijn kracht dan teruggeven? Zorg dat jullie het zout in jezelf niet verliezen en bewaar onder elkaar de ​vrede.’

Genezing van een blinde

22Ze kwamen in Betsaïda. Er werd een blinde bij hem gebracht, en men smeekte hem om de man aan te raken. 23Hij pakte de blinde bij de hand en bracht hem buiten het dorp. Hij deed wat speeksel op zijn ogen, ​legde​ er zijn handen op en vroeg: ‘Ziet u iets?’ 24Hij begon weer te zien en zei: ‘Ik zie mensen, het zijn net bomen, maar ze lopen rond.’ 25Daarna ​legde​ hij weer zijn handen op de ogen van de blinde. Deze sperde zijn ogen open en genas; hij zag alles nu heel helder. 26Hij stuurde hem naar huis met de waarschuwing: ‘Ga het dorp niet in!’


Wie is Jezus?

27Jezus​ vertrok met zijn ​leerlingen​ naar de dorpen in de buurt van Caesarea Filippi. Onderweg vroeg hij aan zijn ​leerlingen: ‘Wie zeggen de mensen dat ik ben?’ 28Ze antwoordden: ‘Johannes de Doper, en anderen zeggen ​Elia, en weer anderen zeggen dat u een van de profeten bent.’ 29Toen vroeg hij hun: ‘En wie ben ik volgens jullie?’ ​Petrus​ antwoordde: ‘U bent de ​messias.’ 30Hij verbood hun op strenge toon om met iemand hierover te spreken.


31Hij begon hun te leren dat de ​Mensenzoon​ veel zou moeten lijden en door de oudsten van het volk, de hogepriesters en de ​schriftgeleerden​ verworpen zou worden, en dat hij gedood zou worden, maar drie dagen later zou opstaan; 32hij sprak hierover in alle openheid. Toen nam ​Petrus​ hem apart en begon hem fel terecht te wijzen. 33Maar hij draaide zich om, keek zijn ​leerlingen​ aan en wees ​Petrus​ streng terecht met de woorden: ‘Ga terug, achter mij, ​Satan! Je denkt niet aan wat God wil, maar alleen aan wat de mensen willen.’


34Hij riep de menigte samen met de ​leerlingen​ bij zich en zei: ‘Wie mijn volgeling wil zijn, moet zichzelf verloochenen, zijn ​kruis​ op zich nemen en zo achter mij aan komen. 35Want ieder die zijn leven wil behouden, zal het verliezen, maar wie zijn leven verliest omwille van mij en het ​evangelie, zal het behouden. 36Wat heeft een mens eraan als hij de hele wereld wint, maar er het leven bij inschiet? 37Wat zou een mens niet overhebben voor zijn leven? 38Wie zich tegenover de trouweloze en zondige mensen van deze tijd schaamt voor mij en mijn woorden, zal merken dat de ​Mensenzoon​ zich ook voor hem schaamt, wanneer hij komt in het gezelschap van de ​heilige​ ​engelen​ en bekleed met de stralende luister van zijn Vader.’